![]() Liesbeth van Nes (cursus 2007 - 2009) foto © Winneke Hazewinkel |
Liesbeth van NesStefan Zweig, Widerstand der Wirklichkeit, S. Fischer Verlag, Frankfurt am Main, 1987 als: Reis naar het verleden, Uitgeverij Atlas, Amsterdam, 2009, pp.157 (tweetalige uitgave) Nooit gedacht dat ik de hele VertalersVakschool af zou maken. Het begon als een avontuurtje van zes maanden, iets wat ik erbij zou doen toen ik Nederlands begon te geven aan de VertalersVakschool, en het mondde uit in een ware passie. Ik was vertaalster Frans, al had ik nooit een opleiding voor vertalen gevolgd. Dat was niet uit desinteresse, er bestond gewoon geen opleiding op het moment dat ik ernaar op zoek was. Ik was docente Nederlands op een middelbare school toen ik in 1991 op een avond Homerus opensloeg en ontdekte dat het Grieks na achttien jaar in mijn hoofd opwelde alsof er sinds mijn eindexamen geen dag verstreken was. Toen kreeg het vertalen me in zijn greep en het werd Frans, omdat ik Frans als bijvak had gekozen toen ik wilde afstuderen aan de UvA. Mijn eerste vertaling verscheen in 1994: Roemruchte daden en opvattingen van doctor Faustroll, patafysicus door Alfred Jarry. Tien jaar daarna, in 2004, had ik de moed om mijn lerarenbestaan op te geven en fulltime vertaalster te worden. In november 2006 vroeg Molly van Gelder me om les te komen geven op de VertalersVakschool. Mijn eerste reactie was dat ik les wilde vólgen. Frans zat vol. En Duits niet. Ik hoefde niet lang te aarzelen, Duits was een oude liefde. De pilot van de VertalersVakschool duurde van januari tot en met juni en aan het eind van de pilot mocht ik door naar het eerste jaar. Toen heb ik wel even geaarzeld. Ik had tijdens de pilot namelijk ook met veel plezier lesgegeven. Zou ik het allebei tegelijk kunnen? De VertalersVakschool is me zeer ter wille geweest en heeft het rooster om me heen geweven, zodat ik allebei kon doen. En toen kreeg ik het te pakken. Die passie. Die vaardigheid. Ik groeide met de dag. De vertaalnorm waar ik naar op zoek was, en die als een steen der wijzen onvindbaar blijft, bleek in al zijn ongrijpbaarheid toch gestalte te krijgen in een soort besef, dat je ingeeft dat dit het moet zijn, of dat je nog een keer terug moet, en nog eens, dat het beter kan, dat er toch een betere oplossing is of te vinden moet zijn. Eerst denk je dat je de docent nooit tevreden kunt stellen, later ontdek je dat het de tekst en de auteur zijn die volledig rechtgedaan willen worden. Opeens was het zover, ik was afgestudeerd, ik kreeg een mentoraat van het Expertisecentrum Literair Vertalen en ik beet me een zomer lang stuk op Reis naar het verleden van Stefan Zweig, een schrijver die voor iets eenvoudigs heel veel woorden gebruikt. En ik moest ze allemaal weergeven. Vijftien keer naar een zin kijken en toch de schwung niet kwijtraken. Zonder mijn mentor Elly Schippers was ik er niet uitgekomen. De tweede versie liet ze me helemaal alleen doen. Voor dat vertrouwen ben ik haar eeuwig dankbaar. |