Nederlands

Er wordt vaak beweerd dat een vertaler alleen maar naar zijn moedertaal kan vertalen. Toch zijn er vertalers die in de praktijk het voorbeeld geven dat het ook anders kan. Omdat we op de Vertalersvakschool vrijwel alleen naar het Nederlands vertalen is de aanwezigheid van het vak in de opleiding van cruciaal belang. Als je in de brontaal kunt onderscheiden in welk register een personage zich uitdrukt, moet je ook in de doeltaal (Nederlands) soepel van het ene naar het andere register kunnen schakelen. Als je in de brontaal kunt zien dat de auteur zich niet dubbelzinnig of wazig uitdrukt, moet je in de doeltaal onbedoelde dubbelzinnigheden en vaagheden weten te vermijden.

Een vertaler dient twee heren, eerst de buitenlandse auteur, en als je die volledig tot zijn recht hebt doen is gekomen, is het de beurt aan de Nederlandse lezer. Je maakt van je vertaling een Nederlandse tekst, zoals Frans Denissen zei in zijn dankwoord bij de toekenning van de Martinus Nijhoffprijs.

Een vertaler moet dus veel Nederlands lezen om zich diverse stijlen eigen te maken. Je moet ze niet alleen kunnen herkennen, maar ook bewust toe kunnen passen. Een vertaler bouwt aan een steeds grotere woordenschat en weten in welke situatie welk synoniem past. Je moet glasheldere zinnen kunnen bouwen, maar ook zinnen die eerder iets suggereren. Je moet stijlfiguren kunnen weergeven, passende beeldspraken kunnen bedenken, gevoel ontwikkelen voor het ritme in een zin.

Daarbij natuurlijk foutloos Nederlands kunnen schrijven. Want een uitgever heeft het liefst een vertaler waar niet veel meer aan te sleutelen valt.

De Vertalersvakschool biedt een programma Nederlands met veel aandacht voor lezen, stijl imiteren, schrijven, spellen (met aandacht voor punten waar vertalers op moeten letten) en zinsopbouw. Daarnaast komen actuele kwesties aan bod en ook zaken die cursisten aan de orde willen stellen.